Publicaties van Petra’s pen
Naast genoemde specialiteiten sta ik open voor
een breed scala aan onderwerpen en soorten opdrachten. Ook brochures
en website teksten behoren tot de mogelijkheden.
|
Ton
IJsseldijk experimenteert met: meel, water, zout, desem en
vuur
Sinds enkele weken tref ik op vrijdag een feest van broden
aan op de tafel naast de kassa bij mijn natuurvoedingswinkel
in Zwolle. Natuurlijk gevormde, geurige hompen brood, die
weggelopen lijken uit een zeventiende-eeuws stilleven van
bijvoorbeeld Pieter Claeszs liggen daar zomaar uitgestald.
Alvorens ik kan afrekenen moet het brood worden afgewogen
door de winkelbediende; ik betaal per gewicht. Wanneer ik
thuis het brood voor het eerst proef, besef ik vrijwel
direct dat de binnenkant van dit brood net zo geweldig is
als de buitenkant. Dit is brood met een hoofdletter B; puur,
vol, zacht en stevig tegelijk. Ik heb nog nooit zoiets
geproefd.
Als ik vraag waar deze broden vandaan komen krijg ik te
horen dat Ton IJsseldijk uit Lettele ze gebakken heeft. Mijn
natuurvoedingswinkelier vertelt enthousiast: ‘Als
bakkerszoon kreeg Ton het broodbakken met de paplepel
ingegoten. Door de opkomst van de supermarkten in de jaren
’80 en ’90 en het veranderende consumentengedrag besloot hij
Ton zijn bedrijf te verkopen en deed hij jarenlang hele
andere dingen. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kan
en sinds een half jaar is hij terug als bakker en heeft hij
zijn jongensdroom brood te bakken in een houtoven,
verwerkelijkt’. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Hier wil ik
meer van weten!
Ik bezoek Ton en zijn vrouw in hun bakkerijtje in opbouw in
het Overijsselse Lettele. Hier is zijn verhaal: ‘Mijn vader
was bakker in Twello. Onze bakkerij stond naast een molen.
Op een gegeven moment, ik was toen 24, kocht ik het
molenaarshuis. Toen al had ik plannen om een bakspieke, een
ouderwets bakhuisje met een takkenbosoven erin, in de tuin
van het molenaarshuis te bouwen. Ik wilde een moderne
bakspieke maken, waar mensen iets van het bakproces konden
zien en ervaren. De gemeente wilde wel meewerken en ik kreeg
een bouwvergunning. Maar toen raakte mijn vader uit het
arbeidsproces en ik moest fulltime inspringen in de
bakkerij. Mijn plan is toen helaas gevaren’.
‘Nadat ik nog een aantal jaren met mijn vader heb
samengewerkt, heb ik de bakkerij overgenomen. Een gewone
bakkerij, met een paar winkelfilialen in Deventer. In die
tijd, ik heb het over de jaren ‘70 en ‘80, waren de
supermarkten in opmars. Je verloor een heleboel klanten aan
de supermarkten. Daardoor kwamen de prijzen kwamen onder
druk te staan. Je moest steeds meer produceren om hetzelfde
inkomen te vergaren. De toeleverende industrie ging meer en
meer bepalen met welke grondstoffen er gebakken werd. Samen
met een hulpje bakte ik op sommige dagen wel 1500 broden en
daarvan konden we de pijp nauwelijks rokende houden. Zes
dagen per week zwoegen van 11 uur ’s avonds tot 11 uur ‘s
ochtends; het werd me te gek. En ook de nachtarbeid brak me
op. Na vijftien jaar bakken besloot ik in 1993 om de boel te
verkopen.’
‘In de jaren daarna deed ik van alles. Ik had met mijn vrouw
een Chambres d’hôtes in Frankrijk en ik was bakkerijadviseur
in de Oekraďne en Rusland. Maar al die tijd bleef het oude
idee, om ooit nog eens een traditionele takkenbossenoven te
bouwen, aan me knagen. Ik was gefascineerd door vuur en ik
had een sterke wens om brood te bakken met een minimum aan
hulpmiddelen. Ik wilde bakken op een manier die zo dicht
mogelijk bij de elementen bleef. Daarnaast wist ik absoluut
zeker dat ik niet terug wilde in het productiegerichte
broodbakken zoals ik vroeger had gedaan. Ik had het idee dat
het anders moest kunnen.’
‘Eenmaal terug in Nederland heb ik een oud
loonwerkersbedrijf gekocht in Lettele, bij Deventer, met
genoeg ruimte om mijn houtoven in te bouwen; mijn bakspieke.
Ik heb de provincie benaderd en ze mijn idee voorgelegd en
ze waren positief over het plan. Ik had nog nooit zelf een
oven gebouwd. Mijn vader zei vroeger altijd: ‘de oven moet
goed zijn!’. Dus ging ik kijken bij een ovenbouwer in
Duitsland en kocht bij hem een kern van gebakken chamotte
klei. Daaromheen heb ik mijn eigen oven gebouwd.’
‘Hoe dat werkt zo’n takkenbossenoven? De takkenbossen gaan
eerst in de oven. Als het hout verbrand is en de oven op 350
graden is gestookt, veeg ik de asresten eruit en gaan de
broden er in. Tijdens het bakproces dringen de smaak en de
geur van de verbrandde twijgen in de chamottestenen van de
oven. Ik gebruik twijgen omdat die veel vlam geven waardoor
in korte tijd veel hitte wordt opgeslagen in de stenen. Ik
ben aan het experimenteren met verschillende houtsoorten.
Iedere houtsoort geeft bij verbranding een heel eigen,
geurige, warmte. Tot nu toe geeft het stoken van
fruitbomentwijgen de beste smaak. Dat heeft te maken met de
aanwezige fruitboomzuren in het hout. De stenen geven later
die speciale geurige opgeslagen warmte en een bepaalde
vochtigheid terug aan het brood’.
‘Voor de takkenbossen heb ik een samenwerking met Groen
Salland kunnen regelen. Zij snoeien houtwallen voor o.a. de
provincie en waterschappen. Eerder werd al het snoeihout
vermalen en weer terug gedaan in de bossen. Tegenwoordig
wordt het biovergast. Nu regelen we het zo dat ik het
snoeihout kan ophalen, er takkenbossen van maak en het
opsla. Ik mag het zo meenemen.’
‘De grondstoffen die ik gebruik voor het brood zijn
biologisch. Gewoon meel, zout, water en desem. Het is voor
mij een kick om uit die grondstoffen, gecombineerd met het
stoken op hout, iets unieks te maken, zonder enige concessie
te doen. Ik hou ervan om de grenzen op te zoeken van wat
mogelijk is. En ik gebruik desem als rijsmiddel, omdat ik de
smaak veel beter vind. Mijn broden zijn heel luchtig. Mensen
zeggen dat het eruit ziet als gistbrood. Waarschijnlijk komt
dat omdat ik het lang laat rijzen. Nu is dat een dag. Ik wil
in de toekomst overgaan naar twee dagen rijzen, dan raakt
het brood nog meer doordrongen van de smaak van het desem.
Smaak kost tijd. Het deeg wordt op de ouderwetse manier in
een slow-deegmachine gekneed, waardoor de wrijvingswarmte
niet teveel oploopt.’
‘Ik heb een geweldige samenwerking met een graanboer, hier
zo’n 10 kilometer vandaan. Hij verbouwt al mijn graan
(tarwe, rogge en spelt) en verkoopt de broden die ik voor
hem bak in zijn boerderijwinkel. Binnenkort krijg ik hier
mijn eigen graanmolen. De maalstoel is al besteld. Ik vind
het belangrijk te weten waar mijn grondstoffen vandaan
komen; wat het verhaal is van een product. Zo komt het zout
dat ik gebruik uit Frankrijk (sel de marin du pays
Geurandais); het wordt handmatig geoogst uit de Atlantische
oceaan.’
‘Ik heb vier basisdesems ontwikkeld. Het Duitse brood is met
rogge, het Nederlands brood gebaseerd op spelt. Voor het
Franse brood laat ik zaden samen met het desem
voorfermenteren en het zogenaamde Italiaanse brood op basis
van durum (harde tarwe) dat ik laat fermenteren in olijfolie
waardoor het een diep doortrokken Italiaanse smaak krijgt.’
‘In Nederland heb je nog geen biologische desem; die halen
we nu uit Zwitserland. Op een graankorrel zitten standaard
sporen van gisten. Ga je een graankorrel vermalen en doe je
daar water bij en de temperatuur omhoog, dan komt er een
fermentatieproces op gang. Op die manier kan je je eigen
desem maken. Dat is een gecontroleerd proces en het is niet
makkelijk om er ‘zuivere’ desem van te maken. In de
toekomst, als de bakkerij klaar is en ik meer tijd heb, zou
ik graag mijn eigen desem maken en daarmee het brood nog
meer eigen, noem het Sallands, maken. ‘
‘Tijdens het bakproces probeer ik de tijd uit te schakelen.
Ik ga uit van het product dat ik dusdanig wil maken dat het
niet lijnmatig uit de oven hoeft te komen. Ik wil mijn werk
in rust en met toewijding kunnen doen, zodat het brood de
aandacht krijgt die het toekomt. Ik stel het product
centraal en niet de verdienste. Ik denk dat je dat proeft.
Mijn vader is nu tachtig. Hij onderging in zijn leven het
hele proces van stoken: van met takkenbossen naar kolen,
daarna naar olie en uiteindelijk is hij overgestapt naar een
gasoven. Mijn vader vindt mijn initiatief prachtig. De
cirkel is nu rond; ik ben terug bij de takkenbossen van mijn
vader.’’
Medio 2010 zal bij de takkenbossenoven een ruimte gecreëerd
worden waar men het gehele bakproces kan bijwonen en
meebeleven. Er zullen bakdagen georganiseerd worden waar men
zelf met de handen in het deeg gaat om vervolgens de broden
af te bakken in de houtoven.
De Bakkerij van Ton IJsseldijk is gevestigd aan de
Ikkingsweg 2 te Lettele. Voor vragen: info[A]slowbaking.nl.
[terug]] |
|
Eiland bij
Frankrijk
Op dag drie van onze vakantie arriveren we aan de kust,
ergens in midden Frankrijk. We zetten onze tenten op aan de
rand van de camping met uitzicht over zee. Ik vertel Tonja
dat de golven tegen de rotsen slaan en dat je daarom hier
dag en nacht de zee hoort.
In de verte zien we een eiland. L’ile de Noirmoutier. Met eb
stijgt er een weg op uit het water en kun je er met je auto
naar toe rijden. En als je terug wil moet je wachten tot het
opnieuw eb is. Tonja kijkt dromerig naar dat eiland en zegt
dat ze graag op een eiland wil wonen.
Mooi beeld voor de dovenwereld denk ik. Zo’n eiland; op
sommige momenten en op sommige gebieden, makkelijk
bereikbaar voor horenden en op andere momenten moeilijk of
niet toegankelijk. Zo ervaar ik het als moeder tenminste.
Soms verloopt onze communicatie vloeiend en heb ik het
gevoel op één lijn te staan met mijn dochter. Op andere
momenten lijkt, ondanks dat ik goed genoeg gebaar, mijn
toegang tot haar wereld ondergelopen. Soms geeft dat
grappige situaties en op andere momenten maakt het me
verdrietig.
Zo hebben we regelmatig last van ‘naamgebaarverwarringen’.
In onze omgeving hebben wij mensen met onder andere de
volgende naamgebaren: BOEK, FIETS RIDDER, RENNEN, STOER,
VERPLEEGSTER en ZAGEN. Wanneer Tonja uit school met Sifra
(wiens naamgebaar FIETS is, omdat ze op wielrennen zit) wil
spelen en ze gebaart een beetje slordig, IK FIETS SPELEN,
dan kan het onhandig lang duren tot ik begrijp dat ze met
Sifra wil spelen in plaats van met haar fiets.
Of die keer toen ze gebaarde: HOESTEN VAN BOEK GEKREGEN. Pas
veel later begreep ik dat ze bedoelde dat Job (BOEK) haar
met de kinkhoest besmet had.
Terug naar de vakantie. We zijn op weg naar Zuid Frankrijk.
Ik rijd. Pepijn zit naast mij. Op onze voorruit plakt Tom
Tom. Hij leidt ons met zijn rustige, standvastige en
overtuigende stem probleemloos door Frankrijk. Tonja heeft
de achterbank tot haar eiland gemaakt met haar tassen met
boeken en het poppenbed met de barbies. Af en toe zie ik
haar een boekje pakken of iets tegen de poppen gebaren, maar
het grootse deel van de tijd kijkt ze naar buiten.
Ik vertel Tonja dat ik tijdens het rijden niet kan gebaren,
omdat ik op de weg moet letten. Als ze iets wil vertellen
moet ze Pepijn roepen en die zal het dan voor mij tolken.
Pepijn die het thuis vaak vermoeiend vindt om met Tonja te
gebaren, begrijpt door de ernst van de verkeerssituatie, dat
hij niet onder mijn verzoek uit kan. En iedere keer wanneer
Tonja roept: Pepaaain!: DORST, Pepaaain!: HOELANG RIJDEN?
(vraagt ze vaak), Pepeaaaain!: WC!, Pepaaaain!: ONWEER!
vervult hij trouw zijn taak; keurig getolkt krijg ik Tonja’s
berichten door.
In Zuid Frankrijk bezoeken we een vriendin. Zij is getrouwd
met een Fransman. De communicatie aan tafel is topsport: van
Engels naar gebarentaal naar Frans naar Nederlands en weer
terug. Maar omdat we vooral blij zijn en het interessant en
spannend vinden elkaar te ontmoeten, nemen we de
communicatiebarričres voor lief.
Nog even over dat eiland. Er zijn veel momenten waarop ik
mij als moeder gedraag als de weg die het eiland aan het
vaste land wil knopen. Zoals bijvoorbeeld gisteren in het
audiologisch centrum. Het blijft tobben met die piepende
hoorapparaten en Tonja heeft nog steeds geen hechte band met
haar toestellen. ‘Op school is het geen probleem, maar thuis
heeft ze ze het liefst uit’, vertel ik weer eens eerlijk aan
de audioloog. Op een gegeven moment zegt hij tegen mij.
‘Mijn droom is dat Tonja haar hoorstoestellen vaker gaat
dragen’. ‘WAT?’ zegt Tonja. Ik tolk, niet geheel correct;
HIJ DROOMT OVER JIJ VAKER HOORTOESTELLEN DRAGEN’ Tonja kijkt
eerst mij en daarna hem oprecht verbaasd aan en vraagt:
‘WAAROM JIJ DROOM DAAROVER? ‘Ik wil graag dat jij meer gaat
horen’ zegt hij. WAAROM?, vraagt Tonja. Ik weet niet meer
wat hij daar op antwoordde, maar het was wel bevredigend
denk ik, want er kwamen geen vragen meer. Eén ding is
duidelijk; het eiland vindt andere dingen belangrijk dan het
vaste land.
[terug] |
|
Melk
Mensen lijken het te vergeten, dat de liefdesdrank der
liefdesdranken was en nog steeds is: Melk. Onvoorwaardelijk
en onbaatzuchtig geschonken door de moeders der aarde.
Qua samenstelling onwaarschijnlijk nauwkeurig aangepast op
de behoeften van zich ontwikkelende zuigelingen en
geďmpregneerd met veel levenskracht en moederliefde. Veel
grootser dan alleen een ‘witte motor’.
De laatste decennia heeft onze koeienmelk nogal wat
veranderingen ondergaan.
De aanleiding van die veranderingen is het feit dat in rauwe
melk allerlei vieze dingen kunnen zitten, zoals listeria of
campylo bacter bacteriën. Die bacterien kunnen mensen met
een verzwakte weerstand ziek maken. Om die reden wordt
tegenwoordig alle melk gepasteuriseerd, dat wil zeggen 15
seconden verhit op 72 graden Celsius. Dat is wettelijk
verplicht. Het is bekend dat dezelfde bacterien bij gezonde
mensen het immuunsysteem op gepaste wijze uitdagen en
daarmee de weerstand juist versterken.
Dan is er nog de UHT behandeling die houdbare melk heeft
ondergaan. Deze melk wordt 2 seconden op 138 graden gebracht
waarna alle levende substanties gedenatureerd zijn.
De hitte van 72 graden Celsius doodt niet alleen deze
‘schadelijke’ bacteriën, maar ook de gezondmakende
vitaminen, enzymen en bacteriën. De gezonde enzymen zoals
galactase, fosfatase en lipase, die van nature in melk
zitten helpen de maag en darmen bij de vertering. De gezonde
bacteriën o.a. lactobacillus acidophilus, zorgen ervoor dat
schadelijke bacteriën (zoals. E.coli) geremd worden in hun
groei.
Na het pasteuriseren wordt de melk gehomogeniseerd; het
wordt met kracht, door een metalen plaat met minuscule
gaatjes geperst. Het gevolg is dat de natuurlijke
vetbolletjes, de roomlaag, kapot geperst wordt en als hele
kleine losse vetdruppeltjes oplost in de melk. Homogeniseren
is niet verplicht en Biologisch Dynamische melk wordt niet
gehomogeniseerd vanwege het verstoren van de natuurlijke
melksamenhang door dit proces.
Een blik in de bio-industrie leert ons dat veel koeien extra
BST, een van nature aanwezig groeihormoon, krijgen
toegediend. Dit hormoon jaagt de melkproductie op tot grote
hoogten. Het overmatige melken maakt dat veel koeien last
krijgen van uierontsteking, mastitis. Om dit te genezen
gebruiken ze antibiotica. Het gevolg hiervan is dat veel
melk resten groeihormoon en antibiotica bevat.
Al met al is de melk van nu is een heel andere dan de melk
van een halve eeuw geleden, ook al omdat de koeien een heel
ander soort (kracht)voer krijgen.
En de kinderen van nu zijn ook heel andere kinderen dan de
kinderen van een vijftig jaar terug. Veel van hen kunnen
geen melk meer verdragen. Ze zijn lactose-intolerant
geworden of hebben een koemelkeiwit allergie.
Zou er een samenhang zijn? Is het de gestresste, geperste en
gekookte melk één (van de) aanleiding(en) die ze allergisch
maakt?
Een Engels onderzoek laat zien dat bij boerenkinderen die
nog wel steeds rauwe melk drinken koemelkallergie amper
voorkomt. Een ander onderzoek toont aan dat eczeem verdwijnt
door het drinken van rauwe melk.
Mensen gaan heel ver in het beheersen van hun angsten, in
het vermijden van risico’s in het verzekeren van hun
veiligheid.
In dit geval van melkbewerking gaat dat dus ten koste van de
hoogstaande levenskracht die rauwe melk bezit.
Gezonde kinderen en gezonde mensen hoeven niet bang te zijn
voor rauwe melk. Het is de moeite waard om te kijken of er
bij u in buurt een biologische boer is die u van deze
onbewerkte witte oerliefdeselixer kan voorzien.
[terug] |
|
Kan
je een elastiekje horen?
Tonja houdt zich meer dan ooit met geluiden bezig de laatste
tijd. Ze geeft aan dat ze dingen hoort zoals: het gerammel
van het bestek in de bestekbak, het vertreksein van de
trein, de stofzuiger en de piano. Ook de blokfluiten van
haar twintig horende klasgenootjes op de school waar ze op
woensdag integreert hoort ze. NIET MOOI, gebaart ze tegen de
tolk en kijkt er vies bij.
Ze houdt een elastiekje tussen beide wijsvingers en duimen
en rekt het een paar keer uit. MAMA ELASTIEKJE HOREN KAN?
NEE, antwoord ik KAN NIET HOREN, MAAR ZÓ KAN. Ik trek het
elastiekje strak en pingel erop met mijn middelvinger. Tonja
lijkt oprecht verbaasd ZÓ HOREN KAN?
Wanneer we ’s middags Melchior van de BSO halen, moeten we
altijd bij een dichte deur aanbellen. Je moet dan wachten op
de zoemer tot je de deur uit het slot kan duwen. Tonja
vraagt mij hoe de deur plotseling tňch open kan. Ik leg uit
dat ik een geluid hoor en daardoor weet dat de deur open is.
Ik vertel er gelijk bij dat dit soort deuren voor dove
mensen erg lastig is. Tonja knikt. Ze vraagt HOREN, NAAM? Ze
bedoelt: wat is het voor soort geluid, wat is de ‘naam’ van
het geluid? Ik zeg dat ik dat moeilijk uit kan leggen. Het
geluid lijkt op het geluid van de telefoon zeg ik. Tonja
knikt begrijpend.
Jarenlang dachten we dat Tonja helemaal niets hoorde.
Jarenlang had Tonja een hekel aan haar hoortoestellen en als
het even kon zette ze die uit. Jarenlang klooiden we met
oorontstekingen en met piepende oorstukjes.
Die fase lijkt nu achter ons. De oorstukjes passen goed en
piepen een stuk minder. Ze kunnen nu zelfs op stand drie. De
oorontstekingen zijn voorbij en Tonja heeft zich aan haar
toestellen overgegeven. Haar enige wens op dit gebied is
nieuwe rode toestellen.
En Tonja begint heel langzaam, maar steeds vaker, klanken
die op woorden lijken te communiceren. De klinkers kloppen,
maar helaas kunnen leken er nog weinig van maken zonder de
juiste medeklinkers.
Een tijd geleden had de juf van de horende school een maan
op het bord getekend. Het was stil in de klas, want juf was
iets aan het uitleggen. Plotseling zei Tonja: maan. Iedereen
keek haar verbaasd aan. Een meisje liep zelfs naar Tonja toe
en zei dat ze trots op haar was. Tonja keek vragend naar de
tolk die weer moest vertalen wat dat meisje zojuist tegen
haar zei.
Iedere avond oefenen we een paar woordjes. Tonja kan de
woordjes al wel lezend uitspreken, maar vindt het moeilijk
de uitspraak te onthouden. Al weken oefenen we met Ananas.
Als lezend kan ze het woord goed verstaanbaar uitspreken.
Wanneer ik het woord bedek, vindt ze het bijzonder moeilijk
het exacte aantal lettergrepen te bepalen. ANANANANAS zegt
ze.
Ook oefenen we korte zinnetjes: PEPIJN IS EEN AAP, MČL
(Melchior is onuitspreekbaar) IS EEN AAP, PAPA IS EEN AAP en
OPA IS EEN AAP (heel leuk om door de telefoon te zeggen).
En zo zwoegt ze wat af. Ik vraag mij regelmatig af of het
ooit verstaanbaar Nederlands zal worden, maar gezien de
dagelijkse kleine vorderingen houd ik moed.
Soms zegt ze zomaar spontaan iets zoals pas bij oma op de
achterbank van de auto toen ze een grote witte vrachtwagen
van VOS inhaalden. VÓS! schreeuwde Tonja.
Of ze roept LEEEAPEL!, wanneer ik die vergeten ben te
dekken.
We moeten nog wel wat aan het volume doen.
Tonja wordt zich steeds bewuster van het feit dat ze (nog)
niet kan praten. Vandaag vertelde ze over de gymles op
school. De dovengroep en slechthorende groep hebben samen
gym. LEUK? Vraag ik. SLECHTHORENDE KINDEREN VEEL PRATEN,
PRATEN PRATEN, NIET LEUK! Gebaart Tonja boos.
Gelukkig kan je gewoon gebaren door de beeldtelefoon, die na
meer dan een jaar aanvragen gisteren eindelijk bij ons is
aangesloten….En nu nog een heleboel andere dove kinderen die
ook zo’n ding gaan aanvragen via hun
ziektenkostenverzekering…. maar dat is weer een heel ander
verhaal.
[terug] |
|
De
bijenverdwijntruc
Afgelopen winter zijn
er veel bijen verdwenen. Niemand weet waar naartoe; imkers
treffen hun kasten leeg aan en daarom noemen sommigen het de
‘verdwijnziekte’. In Amerika noemen ze het CCD, Colonial
Colapse Disease; de ziekte van het ineenstorten van complete
bijenvolken. Normaal gesproken overleeft zo’n twintig
procent van de bijenvolken de winter niet. In het voorjaar
van 2008 is in sommige gebieden, bij de grote imkerijen en
vooral in Amerika, zeventig procent van de bijen verdwenen.
Als het zo doorgaat zou dat kunnen betekenen dat er een ramp
voor de deur staat. Bijen zorgen door hun af en aan bezoeken
aan bloemen voor de bevruchting van een groot deel van de
vruchtbomen en voedingsgewassen. Zonder bijen weinig
bevruchting , waardoor de oogsten in rap tempo terug zullen
lopen. Einstein rekende eens uit dat zonder bijen de
mensheid nog vier jaar te gaan heeft.
Als je je gaat verdiepen in de wereld van de bijen, gaat er
een grote wonderbaarlijke wereld open. Een bijenvolk is,
uiterst goed, georganiseerd rond haar kloppende hart; de
bijenkoningin, de grootste en mooiste bij tussen zo’n
dertigduizend dieren waaruit een bijenvolk gemiddeld
bestaat. Eéns in haar leven maakt zij haar ‘bruidsvlucht’.
Tijdens die vlucht ontvangt ze van die darren, de
mannetjesbijen, die het hoogst kunnen vliegen zoveel
zaadcellen dat ze er een heel leven mee toe kan. Met die
zaadcellen bevrucht ze haar werksters. De werksters, de
bezigste bijtjes, doen hun hele leven niets anders dan
werken. Voor een theelepel honing vliegen ze samen zo’n 2000
kilometer met onderweg een miljoen bloemlandingen.
En net zoals in andere bedrijfstakken zijn ook de grote
imkerijen wat doorgeschoten in hun efficientie-denken.
Honing moet er geproduceerd worden! De honingbij als
melkkoe. Om invloed te hebben op de stamboom krijgt de
koningin ‘ideaal’ en de laatste jaren ook genetisch
gemanipuleerd darrensperma geďnsemineerd. Selectie is
volgens kenners van belang, nu er, noodgedwongen, veel meer
in woonwijken en druk bezochte natuurgebieden wordt
geďmkerd. Om die reden wordt er geselecteerd op
zachtaardigheid en zwermtraagheid, maar ook op resistentie
tegen ziekten.
Bijen hebben sinds de jaren tachtig namelijk last van
varroamijten en ook van de bestrijdingsmiddelen tegen deze
vernietigende beestjes. En verder hopen zich resten
pesticiden, waar veel bloemen mee bespoten zijn, op in de
bijenlijfjes. Imkers voeden hun volken in de winter met
suikerwater in plaats van met honing en ze gebruiken
kunstraten van lichaamsvreemd plastic.
Het lijkt erop dat de bijen er genoeg van hebben. Moe,
uitgemolken en vervuild als ze zijn staken ze hun werk en
vertrekken!
Kleinschalige hobbyimkers en biologische imkerijen in
natuurgebieden gaan uit van hun bijen; ze doen hun best zo
bijenvolkvriendelijk mogelijk te imkeren. Zij hebben de
afgelopen winter geen last gehad van de ‘verdwijnziekte’. En
daarom is er hoop. Die hoop blijft en groeit wanneer u
voortaan biologische honing koopt.
[terug] |
|
Brons houdt me aan de gang
Aan de rand van Noordeinde, een klein dorpje bij Kampen,
woont Jasper van den Brink, beeldend kunstenaar. Zowel de
voorkant als achterkant van zijn huis geven vrij uitzicht op
de velden en uiterwaarden van de IJssel. Jasper (30) woont
hier, met uitzondering van zijn studententijd, al zijn hele
leven.
Tijdens zijn 25e levensjaar veranderde het leven van Jasper
dramatisch. Al sinds zijn geboorte draagt hij de genetische
aandoening NF2 bij zich. Daardoor bestaat er de kans dat
zich tumoren en gezwellen kunnen vormen langs de banen het
centrale zenuwstelsel. Tot zijn 20e was hij zich hier niet
van bewust. Zijn leven verliep voorspoedig. ‘Ik was een
ondernemende en creatieve jongen en veel met muziek bezig’.
Tussen zijn 20e en 25e ontstonden wat kleine probleempjes
totdat hij op zijn 25e evenwichtsstoornissen kreeg en hij
plotseling doof werd. Tijdens een operatieve poging zijn
gehoor te redden raakte daarna zijn gezicht gedeeltelijk
verlamd. Alles wat hij tot dan toe gedaan had bleek zinloos:
de jaren dat hij Frans en Russisch studeerde aan de
opleiding Tolk Vertaler, zijn hobby om liedjes te schrijven
en zijn studie aan de Toeristische school in Breda. Jasper
werd afgekeurd en vroeg zich af wat hij met de rest van zin
leven aan moest. Zijn vrouw ging uit werken en zijn lot als
huisman gaf hem maar zeer beperkt voldoening. Na een
moeilijke en schijnbaar uitzichtloze periode kwam hij weer
uit bij zijn verlangen om iets eigens te maken, iets te
creëren. Hij wilde kunstenaar worden. ‘Uit alle mogelijke
beeldende kunstvormen koos ik het maken van bronzen beelden
omdat de techniek mij aansprak. Het is geen gemakkelijke
techniek, maar de vele mogelijkheden en de uitdagingen en
ook de verassingen die het materiaal biedt spreken mij aan’.
Omdat zijn communicatiemogelijkheden met horenden erg klein
geworden waren was het volgen van een cursus geen optie.
Alle informatie over het proces van bronsgieten haalde hij
uit boeken en van Internet.
Jasper laat me één van zijn eerste werken zien: een gong.
Een bijzonder object voor een dove kunstenaar. Hij laat mij
de gong horen. ’Een hoog geluid hč?’ zegt hij. Klopt. Ik
hoor een mooie hoge klank die nog een tijdje naklinkt.
Jasper kwam op het idee om een gong te maken door zijn
herinneringen aan Borneo. Voordat hij doof werd woonde hij
daar een half jaar. Hij had er een goede tijd. De gong
speelt een belangrijke rol in de Indonesische cultuur en
niet alleen als klank instrument. Vroeger gebruikten de
volksstammen de gong om boze geesten te verjagen. In onze
tijd is bekend dat de niet hoorbare trillingen van een gong
een geneeskrachtige werking hebben. Er bestaat zelfs
klanktherapie met gongen. Jasper maakte een apparaat met
mallen waarmee hij uit klei of was een gong kan snijden. Hij
maakte een hele serie gongen. Sommige daarvan voorzag hij
van Chinese tekens die de cyclus van het leven, dat uit
liefde voortkomt, symboliseren. Het maken van de gongen gaf
hem veel voldoening. De voor en achterkant van het schuurtje
waarin hij werkt heeft hij een heelal gemaakt. Op de
voorkant symboliseert een grote gong de zon. Op de
achterkant is een iets kleinere gong als maan vastgemaakt.
Andere sterren en planeten zijn van stukken afvalmateriaal
gemaakt. Later ging hij ook andere dingen maken. Jasper laat
mij zijn ‘love in motion’ zien. Een ontroerend beeld van
twee zwaluwtjes op een rietstengel die constant in beweging
is. Hij maakte beelden van vogels en vereeuwigde ook bloemen
uit de tuin in brons. Tussendoor maakt hij in opdracht van
vrienden in brons gegoten naambordjes.
Jasper bouwde achter in zijn tuin, naar eigen ontwerp, een
oven. ‘Daarin smelt ik de was uit de mal. Het bronsgieten
doe ik niet zelf. Gezien mijn evenwichtsstoornissen is dat
een te risicovol karwei. Ik breng de mallen naar de
bronsgieterij en krijg de ruwe beelden terug. De beelden
vragen daarna nog veel bewerking, afslijpen, schuren en
patineren om tot een eindresultaat te komen. Als een beeld
uiteindelijk echt af is krijg ik daar een enorme kick van.
(gepubliceerd in
Woord en Gebaar)
[terug] |
|
Eten is
luisteren, verteren is praten
in gesprek met een aardbei
Neem een aardbei. Welke kleur heeft ze? Wat zijn haar
afmetingen en welke vorm heeft ze? Hoe voelt ze tussen de
topjes van je vingers? Ruikt ze? Neem haar in je mond. Wat
voel je? Hard, zacht, ruw of glad? Bijt er eens in en laat
je tong langs het vruchtvlees gaan………..hoe smaakt ze? Zacht,
zoet en sappig? Of juist stevig, neutraal en waterig?
Grote kans dat op dit moment je darmen in beweging gekomen
zijn.
Hoe sterker en aandachtiger je deze aardbei met al je
zintuigen in je verbeelding geschapen hebt hoe meer je
darmen zijn gaan werken.
Wetenschappers ontdekten dat de spijsvertering direct
reageert op de waarneming van voedsel. En die reactie is
niet standaard, maar heel nauwkeurig aangepast aan het soort
eten dat in aantocht is. Als je je mond opent en een aardbei
op je tong legt, dan zijn de darmen al druk bezig zich voor
te bereiden op dit heerlijke bezoek. Ze produceren
nauwkeurig afgepaste hoeveelheden aardbeiverteringssappen
waarin de aardbei-specifieke verteringsenzymen aanwezig
zijn.
Maar wat gebeurt er nu als je aardbeienyoghurt,
aardbeienkwark of aardbeienbavarois eet zonder aardbeien
maar mčt aardbeiengeur-, kleur- en smaakstoffen?
De spijsvertering bereidt zich voor op echte aardbeien. De
aardbei-eigen verteringssappen sijpelen de darmen binnen en
wachten vol vertrouwen op een aardbei. Die niet komt. In
plaats daarvan komen kleur-, geur- en smaakstoffen. Dat
hadden de darmen niet verwacht. Daar moeten ze eens goed op
gaan oefenen. Wanneer er over een langere periode geen echte
aardbeien komen, is de kans groot dat de darmen de
sappenproductie staken. Mocht er onverhoopt toch een echte
aardbei langskomen dan weten de darmen niet meer hoe te
reageren. De aardbei wordt niet goed verteert en dat voel je
dan als buikpijn, luchtvorming, diaree of obstipatie. Een
allergische reactie kan ook.
Een goed gesprek komt van twee kanten. Door ons eten goed
waar te nemen en door ‘eerlijke’ voeding te consumeren
spreken wij duidelijke taal naar onze
spijsverteringsorganen. Die kunnen daar passend op reageren
en dat komt onze gezondheid ten goede.
Petra Essink, voedingskundige.
(Column in
Antrovista)
[terug] |
|
Stralend
Hoe veilig is de magnetron?
Er straalt van alles in ons leven. Onze trouwste straler, de
Zon, heeft de afgelopen decennia gezelschap gekregen van een
heel stel andere stralingsbronnen zoals radio- en TV golven,
röntgen, satelliet straling, mobieltjesstraling etc. Ook de
stralen in de magnetron zijn de meeste huishoudens
binnengegolfd.
Na enig speurwerk op internet neig ik tot de conclusie dat
niemand eigenlijk precies weet wat straling is. Er zijn
discussies of de straling nu uit onmeetbare kleine deeltjes
materie (fotonen) bestaat of uit immateriële golven. De
meeste experimenten ‘tonen aan’ dat straling werkelijk uit
golven bestaat.
De golven zelf kan je niet zien maar wel kun je het aantal
trillingen per seconde meten.
Ter illustratie:
| |
Trillingen per seconde |
|
Zon |
4000-75000 Hertz |
|
Radio/TV |
3 – 30 miljoen Hertz |
|
Magnetron |
3 miljard Hertz |
De Magnetron spant de kroon met maar liefst 3 miljard
trillingen per seconde.
Het is moeilijk voor te stellen, maar probeert u het eens.
Binnen één minuut: 60 maal 3, is 180 miljard trillingen door
je beker melk!
In tegenstelling tot de zon produceert de magnetron golven
in verschillende richtingen. Hierdoor worden de
watermoleculen en ionen in het voedsel op een chaotische
manier heen en weer getrild. Hierdoor ontstaat warmte.
Uit onderzoeken blijkt dat water een fotografisch geheugen
heeft. Het houdt de frequentie van allerlei vormen van
straling voor langere of kortere tijd vast. Een menselijk
lichaam trilt/straalt ook en wel op 7,83 Hertz. Hoog
energetisch geladen voedsel (uit de magnetron) veroorzaakt
een grote energetische disbalans en noodzaakt het lichaam
dit weer in evenwicht te brengen. Dit kost veel kracht en
energie. Na het eten van magnetronvoedsel vindt men
aanmerkelijk meer witte bloedlichaampjes (verdedigers,
opruimers) in het bloed. Veelal zijn deze lichaampjes
misvormd. Dit bloedbeeld is kenmerkend voor de eerste fase
van het ziekteproces van mensen die aan kanker lijden.
(onderzoek door dr. H. U. Hertel).
Veel vitaminen en andere voedingsstoffen zijn veranderen na
een ‘magnetronbehandeling’ van vorm. De veranderde stoffen
zijn moeilijker verteerbaar.
Het grote verschil met gewoon koken is dat je met de
magnetron niet van buitenaf opwarmt maar van binnenuit
Halverwege de vorige eeuw al deed dr. Hauschka proeven met
verschillende kookmethoden. In pannen van verschillend
materiaal kookte hij gedistilleerd water. In dat water liet
hij vervolgens tarwekorrels ontkiemen. Er waren grote
verschillen. Hij kwam tot de conclusie dat de levenskracht
(zie vorige column) van het voedsel het best bewaard blijft
wanneer je het kookt op een houten vuurtje in en gouden
pannetje. Sparen maar!
(Column in Antrovista)
[terug] |
|
Eerste zwemles
22.00 Ik smeer alvast boterhammen en vul een drinkbeker en
doe ze in de zwemtas. Net zoals Tonja’s nieuwe rose badpak.
De schooltas maak ik ook vast klaar.
6.15 De wekker gaat. Ik til Tonja uit bed. Ik zet haar op de
bank naast haar kleren. Eerst spartelt ze nog tegen maar
zodra ik gebaar dat we naar zwemles gaan kleedt ze zich snel
aan.
6.40 We staan buiten en lopen naar het fietsenhok. Het is
nog donker maar er is genoeg licht om te gebaren. Het is
stil op straat. We zien de sterren. We fietsen richting
zwembad.
6.50 We arriveren bij het zwembad. Er staat een hele rij
kinderen met vader of moeder voor de kassa. We wachten op
onze beurt. Tonja krijgt een mooie zwemtas en ik koop een
10-lessenkaart. De juffrouw achter de kassa wenst Tonja veel
plezier. Ik zeg tegen Tonja dat ze dankjewel moet gebaren.
Tonja gebaart braaf dankjewel. Ik zeg tegen de juffrouw dat
Tonja doof is. De juffrouw lacht een beetje onhandig maar
wel lief naar Tonja.
6.55 We komen de kleedkamer binnen. We zoeken een plekje. Ik
help Tonja met uitkleden. Trots trekt ze haar nieuwe badpak
aan. Ze stopt nog even snel de handdoek, boterhammen en
drinkbeker in haar nieuwe tas. Ik besef dat niemand hier
weet dat Tonja doof is. Ik verzamel moed en vraag om
aandacht. Het wordt helemaal stil in de kleedkamer. Ik zeg:
‘Mijn dochter Tonja is doof, het is wel handig dat u dat
weet. Misschien kunt u het ook aan uw kind uitleggen zodat
zij ook weten dat ze doof is. Ze heet dus Tonja en ze heeft
een naamgebaar dat gaat zo (….). De meeste mensen proberen
het gebaar na te doen en zeggen iets tegen hun kind in de
trant van: ‘dat meisje is doof en ze heet zo… (gebaar).’Ik
zie veel kinderen een poging doen tot het maken van het
naamgebaar. Het liefst zou ik er nog achteraan zeggen: ‘en
voor 6 euro 95 kunt u bij de boekhandel een klein
gebarenwoordenboekje kopen. Het zou fijn zijn wanneer u
samen met uw kind de gebaren leert.’ Ik houd me in.
6.59 De badjuf komt binnen. Haar heb ik al eerder ingelicht
over Tonja’s doofheid. Ze houdt een verhaal over de gang van
zaken in het zwembad. Ik tolk. Iedereen kijkt naar mij en
Tonja.
7.05 De kinderen worden naar de douche geleid. Alle vaders
en moeders trekken plastic blauwe overschoenhoesjes aan en
lopen mee. Tonja ziet een meisje met hetzelfde rose badpak.
Ze gaat pal voor dat meisje staan en kijkt haar stralend
aan. Het meisje lacht verlegen terug. De douches gaan aan.
Tonja’s badpak wordt donkerrose.
7.10 De juf komt de kinderen halen. Ik spreek haar aan en
vertel haar de gebaren voor GOED, KNAP en MOOI. We hadden
van te voren afgesproken dat ik niet bij de zwemles aanwezig
zou zijn. Ze had al eens eerder een doof kind gehad en dat
had geen moeilijkheden gegeven. Als er iets was zou ze me
waarschuwen.
Ik wens Tonja veel plezier en geef haar over aan de zwemjuf.
Het is de eerste keer dat ik haar achterlaat in een
gezelschap waar niemand kan gebaren. Als kleine eendjes
achter moedereend verdwijnt de groep in de ruimte van het
kinderbad. De deur gaat dicht.
7.15 Ik loop terug naar de kleedkamer, trek mijn plastic
overschoenen uit en loop naar de tribune bij het grote
zwembad. Het is hier warm. Ik trek mijn trui uit. Ik vind
het wel jammer dat er een grote zwemmat voor het raam bij
het kinderbad staat. We kunnen niets zien.
7.30 Net als alle andere ouders loop ik terug naar de
kleedkamer. Trek mijn overschoenen weer aan. Als een
aankomstcomité wachten we bij de douches tot de deur van het
kinderbad open gaat.
7.35 De deur van het kinderbad gaat open. Kindjes rennen
naar buiten. Ah …daar een rose badpakje, ja Tonja, stralend
komt ze naar buiten. Ik ben gerustgesteld. Dat zit wel goed.
De juf komt naar me toe en zegt dat het prima gaat. Ze doet
gewoon na wat de anderen doen. Wat waren ook alweer die
gebaren die u me net vertelde vraagt ze? Ik doe ze nogmaals
voor.
De kinderen gaan douchen.
7.40 Terug in de kleedkamer. Ik help Tonja aankleden. En
ouder spreekt me aan en zegt dat ze het zo knap vindt die
gebarentaal. Ze ziet het wel eens op TV.
7.50 De meeste kinderen gaan gelijk door naar huis of
school. Tonja en ik lopen naar de tribune. Tonja kijkt
aandachtig naar de kinderen die al in het diepe zwemmen. Ik
doe de hoorapparaten in. We eten onze boterhammen en drinken
om de beurt uit de drinkbeker. We kletsen een beetje over
het zwemmen. Tonja vertelt: <.WATER IK HOOFD ONDER KAN IK>,
<KNAP!> Zeg ik.
8.10 uur. We moeten naar school. Natte haren onder de muts.
Op de fiets.
8.20 We arriveren op school. Vol trots laat Tonja haar
nieuwe zwemtas en badpak aan haar juf zien.
8.25 Ik fiets naar huis. Missie volbracht.
(column in Woord en
Gebaar)
[terug] |
|
Welke weg?
Toen we pas wisten dat Tonja doof was en ik me door de berg
doveninformatie aan het heen lezen was bemerkte ik bij
mezelf dat ik blij was dat Tonja doof was geboren en niet
slechthorend. Als ze slechthorend was geweest zou ze tussen
de horenden altijd op haar tenen moeten lopen wanneer ze
geen gebarentaal zou leren zou ze tussen de doven ook niet
echt op haar plaats zijn. Als dove zal het communiceren met
horenden knap lastig worden maar tussen andere doven zal ze
zich met haar gebarentaal vrij kunnen bewegen.
Toen we hoorden over de mogelijkheid van CI waren we het er
vrij snel en zonder veel woorden over eens om bij Tonja geen
CI te laten plaatsen. We wilden haar niet veranderen.
Echter nadat zowel mijn schoonmoeder als de mensen op het
audiologisch centrum Zwolle meerdere malen hadden gevraagd
waarom we dit zo hadden besloten en of we er niet nog eens
goed over na moesten denken, sloeg de twijfel toe.
Jac en ik ieder op onze eigen wijze naarstig op zoek naar
nieuwe, meer en andere informatie over CI. We haalden
stukken van internet, voelden, dachten, twijfelden, we
spraken met elkaar, met andere ouders en met volwassen
doven. Die laatsten gaven allemaal aan blij te zijn zonder
CI te zijn opgegroeid. Wanneer de mogelijkheid er zou zijn
om alsnog voor CI te kiezen zouden ze dat niet doen. Jac
hield een dagboek bij. (www.pedagogiek.net/data/902-20030813182106.doc)
We vonden dat Tonja later recht had op onze verantwoording.
We probeerden de weg mét CI en de weg zonder CI
voor Tonja zo ver mogelijk vooruit te denken.
De weg met CI zou leiden naar een bestaan van een
soort van slechthorende volwassene. Onderweg zou ze een
zware operatie moeten doorstaan, hopelijk zonder
complicaties. Ze zou door een periode van training,
ziekenhuiscontroles, misschien herinplantatie (hoeveel?)
heen moeten. Ze zou natuurlijk ook goed gebarentaal moeten
leren. Zou ze zich thuisvoelen en kunnen ontspannen tussen
de horenden? Zouden wij als gezin kunnen opbrengen om tegen
een slechthorend kind ook te blijven gebaren?
De weg zonder CI zou duidelijker en veiliger zijn in
onze ogen. Geen zware operaties en geen afhankelijkheid van
techniek. Één belangrijk aandachtspunt: Gebarentaal. Mooi en
lastig.(voor ons) Ze zou opgroeien tot een dove volwassen
vrouw. Daar waren er al meer van in Nederland en in de
wereld. Ze zou er een hele familie bij krijgen: de
dovengemeenschap. Hopelijk zou ze daar haar vrienden vinden
Wij zouden er een ‘schoonfamilie’ bij krijgen. Hopelijk zou
ze door middel van logopedie goed leren praten. Later zouden
wij haar misschien nog mee kunnen helpen.
Toen na een maand ongeveer kwam er op een avond een nieuw
moment van besluiten, ditmaal doorvoeld én doordacht. We
hebben, vanuit ons perspectief, de beste keus gemaakt.
Wanneer ik naar Tonja kijk denk ik dat ze op de goede weg
zit. Tonja is een blij, vrij en initiatiefrijk en
fantasierijk kind. Ze praat nog niet maar gebaart als een
tierelier. Ze zit in Zwolle op de Enkschool in een klasje
met 6 andere kinderen allemaal zonder CI. Uniek in
Nederland, want de meeste kinderen van haar leeftijd zijn
wel geďmplanteerd. Volop gebarentaal voor Tonja dus….maar
hoe lang nog gezien de huidige ontwikkelingen in het
dovenonderwijs? Het zou zo jammer zijn als de 2
talige-methode door de komst van de CI zou verworden tot een
vaag mengsel van Nederlands en NmG. Mijn mening is dat een
gedegen gebarentaalbasis Tonja’s leven zoveel meer begrip,
verrijking en houvast zal geven.
Tonja deed laatst en vragen rondje aan tafel. Ze vroeg aan
ieder van ons: JIJ GEBAREN LEUK? Pepijn zei: GAAT WEL.
Melchior antwoordde. NEE, NIET LEUK. Jac zei: LEUK, MAAR
MOEILIJK. Ik antwoordde: LEUK, MOOI OOK MOEILIJK BEETJE.
We hebben Tonja niet laten veranderen. Tonja laat ons wel
veranderen. Leuk of niet.
(Column in Woord en Gebaar)
[terug] |
|
Zeemeerminnen en paarden
Op de muur van Tonja’s kamer rukt gestaag een kudde
paardenposters op. Tot voor kort hingen er alleen prinsessen
en educatieve plaatjes met woorden die ik voor haar had
opgehangen. Tonja’s interesses zijn aan het veranderen en ze
heeft opgeruimd. Ook de inrichting van haar kamertje hebben
we omgegooid deze zomer. Pappa heeft haar vreselijke piepbed
verzaagd tot een laag en stil model. Maandenlang werd ons
hele gezin, Tonja uitgezonderd, gewekt wanneer Tonja zich ’s
morgens voor het eerst omdraaide in haar bed. Piiiiep,
kraaaaak! Deze kwelling is nu gelukkig voorbij. Tonja was
erg opgewonden toen haar kamer ontruimd moest. Een dag van
te voren had ze een hele doos spullen verzameld met dingen
die ze niet meer wilde op haar nieuwe kamer. GEVEN
VERJAARDAG ANDERE KINDEREN OF VERKOPEN KONINGINNEMARKT,
gebaarde Tonja. Toen ik haar prullenbak leegde kon ik nog
net de mondharmonica, een stuk ijzer met gaten,
onderscheppen.
Tonja heeft al haar spulletjes, doosjes, kammetjes enz met
prinsessen erop opgeruimd. Ook mijn pedagogische abc posters
wil ze niet meer. Tonja’s dierbaarste bezit op dit moment is
een hoefijzer, gekregen van haar grote voorbeeld: een
paardenmeisje uit onze kennissenkring. In de kiosk en bij
Albert Heijn weet ze feilloos de pony- en
paardentijdschriften te vinden. Tonja tekende een prinses
naast een paard. Er komt een wolkje uit de mond van de
prinses. In dat wolkje schreef ze: ‘paard nee’. Ik vroeg
BEDOEL WAT? PAARD NEE? PAARD MAG NIET VRIJ, MOET HEK OMHEEN
legt Tonja uit. Ooh, FAN…(vandaar…)
De MEISJE-VIS, zo gebaart Tonja zeemeermin, een wezen dat al
langere tijd Tonja’s bijzondere belangstelling heeft, mag
blijven. Het kleine vilten zeemeerminnetje krijgt een
ereplaatsje op de plank voor haar raam. Toen we deze
vakantie over de Zeelandbrug reden en 5 kilometer lang over
een eindeloze zee konden turen, vroeg ze of in dit water de
MEISJES-VISSEN woonden. ‘Ik weet het niet’ antwoordde ik.
‘Het zou kunnen’.
Gisteren in bad zei ze dat ze dacht te weten hoe
zeermeerminnen met elkaar praten. Met haar mond net onder
het wateroppervlak borrelde ze MAMABRAMA, PABRAPA. Ze
straalde alsof ze iets heel knaps en interessants ontdekt
had. Of ik het hoorde en of zeemeerminnen zo klonken vroeg
ze me.’Het zou kunnen…, ik heb nog nooit zeemeerminnen horen
praten’ antwoordde ik naar waarheid. Vervolgens klemde ze
haar benen samen, gooide haar hoofd achterover en dartelde
zo-zeemeermin-mogelijk heen en weer in bad. Ik moet denken
aan het sprookje van de kleine zeemeermin die niet meer
mocht praten nadat ze haar staart had ingeruild voor benen.
Even later zag ik haar in bad met haar hoofd onder water en
haar telhand erboven. 18,19….20. Een bizar gezicht. Rood
aangelopen en trots en naar adem snakkend kwam ze boven
water. IK KNAP…, TOT 20! VRESELIJK KNAP, bevestig ik.
Als Pepijn na een paar dagen logeren thuiskomt laat Tonja
haar nieuwe kamer aan Pepijn zien. MOOI gebaart Pepijn. JIJ
VOETBAL HOUDEN VAN? JA, zegt Pepijn. IK PAARDEN HOUDEN VAN,
ze wijst naar haar posters. MOOI gebaart Pepijn. Vervolgens
lopen ze samen naar Pepijns kamer. Hij laat haar zijn
voetbalspullen die hij op de open dag van PSV heeft gekregen
zien en wijst naar zijn voetbalposters. MOOI gebaart Tonja.
Een nieuwe kamer, een nieuw schooljaar en Tonja wordt begin
september zeven. Voor haar verjaardag wil ze graag een
paard…
(Column in Woord en Gebaar)
[terug] |
|