|
Het boek is
bovenal een indrukwekkend, persoonlijk
levensverhaal van een dove vrouw; maar biedt
daarnaast veel informatie over de emancipatie en
leef- en ervaringswereld van doven. Die
informatie is op een natuurlijke, soepele manier
verweven in het persoonlijke verhaal. Of
andersom, het is maar hoe je het bekijkt.
Het boek is in de ik-vorm geschreven, de stijl
is beeldend, nuchter, direct en kent af en toe
een milde ironie. De opbouw van het boek is
chronologisch en evenwichtig, dat blijkt al uit
de heldere inhoudsopgave. Dit alles maakt dat je
als lezer vanaf het begin bent geboeid door het
verhaal.
Bea’s levensverhaal begint in 1936, haar
geboortejaar. Ze komt ter wereld in Friesland.
Rond haar tweede jaar bleek dat ze doof was.
“Pake ging mijn kamertje binnen en belde heel
hard boven mijn ledikant. Ik sliep gewoon door”.
Op haar derde ging ze naar de christelijke
dovenschool Effatha in Den Haag. Gebarentaal was
verboden, net als op de meeste dovenscholen. Bea
leerde spreken door logopedielessen. “Ik leerde
mijn eerste woord uitspreken: vitaminetablet.
Raar woord voor een vijfjarig doof kind om als
eerste woord te leren”.
Haar eerste baan was in Friesland, maar Bea
besloot terug te gaan naar Den Haag, waar ze
ging werken bij de Sociale Dienst. Het beviel
haar prima. In deze periode ontdekte ze dat ze
gevoelens voor vrouwen had en beleefde haar
eerste coming out. “Het gesprek met mijn
lesbische collega’s was een feest van
herkenning”. Later gaf ze de aanzet tot de
oprichting van het Roze Gebaar. “Veel doven
wisten niets af van het bestaan van
homoseksualiteit, is het een idee om krachten te
bundelen in een club?”
Naast haar werk was Bea zeer actief in de
ontwakende dovenbeweging vanaf de zeventiger
jaren vorige eeuw. Ze was een pionier in hart en
nieren, als eerste gaf ze gebarentaallessen aan
ouders van dove kinderen. Ze leerde de acteurs
van het toneelstuk Kinderen van een mindere God
gebarentaal. “Heel veel mensen hebben door het
stuk kennis kunnen nemen van wat het betekent
doof te zijn”.
Bea heeft veel betekend voor de emancipatie van
de doven, mede door haar initiatieven hief
Effatha het verbod op gebarentaal op; is de
Nederlandse Gebarentaal maatschappelijk erkend,
kregen tv-programma’s ondertiteling. Ook was ze
zeer actief in het verenigingsleven van doven en
heeft menige club opgericht.
De liefde bracht haar eind jaren negentig naar
Zwolle en daar woont Bea nu nog, in Holtenbroek.
“Sinds ik alleen woon heb ik veel tijd om na te
denken, een heel leven ligt achter mij. Ik heb
er een voldaan gevoel over. Het is
onvoorstelbaar hoezeer de wereld is veranderd in
de afgelopen zeventig jaar. Ik heb het allemaal
kunnen zien en meemaken”.
Een vlot geschreven boek over een boeiende,
dappere, ondernemende vrouw die een brug heeft
geslagen tussen de horende en niet-horende
wereld en zo veel heeft betekend voor beide
werelden.
Recensie
Nederlandse Bibliotheekdienst (NBD)
De biografie van
Bea, een 73-jarige gebarendocente, is in ik-vorm
opgetekend door columniste en vriendin Petra
Essink. De Friese Bea wordt als peuter naar de
christelijke dovenschool in Voorburg gestuurd.
Ze vertelt hoe ze die periode emotioneel heeft
ervaren en hoe het onderwijs moeizaam liplezend
verliep. Door de gebarentaal in de wandelgangen
leert ze echt goed contact maken. Strijdlustig
heeft ze na school een zelfstandig bestaan
opgebouwd, zich ingezet voor acceptatie van
gebarentaal en clubs voor dove sporters en
lesbiennes opgericht. Dit persoonlijke relaas is
ook maatschappelijk relevant door haar inzet
voor de ontwikkeling en emancipatie van doven en
het verslag van de impact van technologische
middelen. Het verhaal is helder, chronologisch
verteld, in toegankelijke taal geschreven en
voorzien van illustraties en
achtergrondinformatie. De wat ouderwets ogende
gebonden uitgave biedt doven en horende (zoals
liefhebbers van waargebeurde verhalen) een
boeiend beeld van de recente dovengeschiedenis
en de invloed daarvan op het individu.
Mieke Starmans –van Haren
Gebarentaal,
emancipatie, dovencultuur en het roze gebaar
De
autobiografie ‘Bea Visser, Dove prinses’ begint
met een verhaal over haar vader. Bea’s vader
maakte wagens met houten wielen voor boeren.
Kleine, middelgrote en grote wielen stonden
netjes gesorteerd in de werkplaats. De opa van
Bea en ook diens vader waren wagenmakers
geweest. Bea’s vader was een vakman, hij maakte
goede wagens. De komst van luchtbanden maakte
zijn karren op den duur echter overbodig. Hij
moest voortijdig stoppen met het produceren
ervan, er was geen vraag meer naar. Gelukkig kon
hij tot op het laatst zijn eigen brood verdienen
met het onderhoud en de reparatie van de
bestaande wagens.
Bea is geboren in 1936. Doof en naar veel en
veel later bleek, ze was toen al eenenveertig
jaar, lesbisch. In haar boek vertelt ze hoe ze
als klein Fries meisje naar de dovenschool
Effatha in Den Haag werd gestuurd zonder dat
iemand haar kon uitleggen waarom of voor
hoelang. In Groningen was ook wel een
dovenschool, maar die was niet Christelijk en de
dominee had liever niet dat ze daar naartoe
ging. Ook al betekende dat dat ze ieder weekend
naar huis zou kunnen. Nu gold dat alleen maar
voor bepaalde vakanties, want de reis van Den
Haag naar Akkerwoude duurde in die tijd acht
uur.
Bea bleek zeer intelligent, waardoor ze al snel
tot het paradepaardje van de school werd
gepromoveerd. Ze werd van hot naar her gesleept
om haar aan iedereen te showen. Bea was het
levende bewijs dat het onderwijs op Effatha goed
was. Die speciale behandeling werd haar niet in
dank werd afgenomen door de andere leerlingen.
Leren spreken en liplezen was het belangrijkste
op school. De kinderen mochten geen gebruik
maken van gebaren, alleen als ze exclusief onder
elkaar waren. Het zou hun spraak- en
taalontwikkeling maar belemmeren, was het idee
dat aan dat verbod ten grondslag lag. De lessen
waren gericht op de Nederlandse taal, thuis had
Bea er dus niet veel aan. Ze kon met haar Fries
sprekende omgeving niet communiceren. De onmacht
en frustratie die dat begrijpelijkerwijs bij
haar teweeg bracht, heeft haar later de
motivatie gegeven om zich onvermoeibaar in te
zetten voor het verder ontwikkelen, helpen
standaardiseren en anderen aanleren van
gebarentaal.
Ze begon bijvoorbeeld lessen in gebarentaal te
geven aan ouders van dove kinderen en het deed
haar pijn om te zien hoe vrolijk deze kinderen
daarna konden kletsen met hun ouders. Dat had ze
zelf ook wel gewild.
Een van de hoogtepunten in Bea’s leven was het
geven van lessen in gebarentaal aan acteurs als
Willem Nijholt en Rick Nicolet, die beiden
meespeelden in ‘Children of a lesser God’, de
succesvolle theatervoorstelling over de liefde
tussen de boze dove Sarah en haar spraakleraar.
Maar Bea wilde meer. Overal waar ze maar kwam,
richtte ze groepen op waar doven met elkaar
konden sporten, kaarten, kennismaken en flirten.
Haar leven stond in dienst van de emancipatie
van doven en ze bereikte succes op succes. Was
ze horend geweest, dan was ze vast minister
geworden, zoveel werklust, doorzettingsvermogen,
visie en brille legde ze aan de dag. Ze had geen
tijd om aan liefde te denken.
Mooie woorden en zinnen die ik nooit eerder had
gehoord, staan er in het boek. Een woord als
‘plotsdoof’ en een zin als ‘een vrouw met een
duidelijk mondbeeld’ geven een kijkje in de
leefwereld van dove mensen.
Als het gaat over het vaak moeizame contact met
horenden, gaat het al snel over surdofobie,
angst voor dove mensen. Ze schrijft onder
andere: ‘Veel mensen zijn bang in hun eerste
contact met een dove. (..) Voor een dove is het
vaak uithouden, geruststellen en wachten tot het
beter wordt, of niet.’
Die zin trof me, omdat ik het zo goed uit mijn
eigen bi-leven ken. Het soms eindeloos wachten
met een innerlijke zucht tot iemand er eens een
keer overheen is en normaal gaat doen, of niet.
Je eindelijk in de ogen durft te kijken, of
niet.
Over haar late ontdekking en schrik dat ze
lesbisch is, lezen we boeiende, maar ook bittere
fragmenten. Wat me met stomheid deed slaan, was
het verhaal van haar eerste verliefdheid op een
vrouw. De vrouw in kwestie bekende haar op een
dag haar liefde. Bea was ontsteld, geschokt, ze
wist niet eens dat dat kon, dat het bestond.
Twee mannen ja, maar twee vrouwen… Ze wees de
vrouw keihard af, negeerde haar, ontweek haar en
wees haar nog verder af. De vrouw hield echter
aan en kreeg haar zin. Bea werd ook verliefd op
haar. Ze hebben jarenlang een relatie gehad. Ik
vond het ongelooflijk om te lezen hoeveel
voortvarende lef die vrouw had. Zonder haar
volharding had Bea waarschijnlijk nooit de
liefde gekend.
Als Bea na lange tijd over haar schrik heen is,
richt ze, hoe kan het ook anders ‘Het roze
gebaar’ op, een netwerk voor dove hlbt-ers, dat
nu al 25 jaar bestaat.
Over haar relaties met vrouwen, verliefdheden,
seksualiteit en liefdesverdriet krijgen we
weinig details te horen. Het kan zijn dat ze als
dove vrouw niet zo heel veel woorden tot haar
beschikking heeft om alle gevoelsnuances te
beschrijven. Het kan ook zijn dat ze iemand is
die niet gemakkelijk over haar innerlijk leven
praat. Bea is uiteindelijk vóór alles een
bezielde lerares en wereldverbeteraar en geen
prinsesje, ook al is dat het taalgebaar voor
haar naam Bea(trix).
Het boek eindigt een beetje verdrietig. De
medische wereld heeft niet stilgestaan. Het
blijkt dat veel doven geholpen kunnen worden met
een ic implantaat dat ze helpt horen. In de
visie van velen maakt dat gebarentaal overbodig.
Bea zelf vindt dat gebarentaal een onmisbaar
deel is van de dovencultuur en dat een dove
zelfstandig moet kunnen zijn als onverhoopt het
batterijtje het niet meer doet. Bovendien helpt
zo’n implantaat niet bij iedereen, zodat er een
groep doven overblijft. Het lijkt een gevecht
tegen de bierkaai. Net als met de komst van de
luchtbanden die het vak van haar vader overbodig
maakten, zijn ook deze ontwikkelingen niet te
stoppen. En Bea is zich er pijnlijk bewust van
dat ‘l’histoire se répète’.
Bea Visser, Dove prinses : een magnifiek leven
van een magnifieke vrouw.
Connie
van Gils van IHLIA /
www.ihlia.nl |